Kooktips

Het abc van koken: van julienne tot emonderen

Emonderen, slinken, fruiten allemaal termen die wel eens durven opduiken in een recept. Maar wat betekenen deze begrippen nu juist? Wij maken voor jullie een lijstje en dompelen jullie zo onder in de wereld van de keukentermen. Maak jullie klaar om een echte topchef te worden!

De A van…

Al dente staat kortweg voor beetgaar. Pasta, groenten of rijst zijn dan gaar, maar hebben nog wat beet.

Au bain-marie is een techniek waarbij je iets zachtjes verwarmt boven een pot met heet water. Je gebruikt dit bijvoorbeeld om chocolade te smelten zonder dat die aanbrandt. 

Arroseren betekent dat je vlees, vis of groenten tijdens het bakken regelmatig overgiet met het braadvocht. Zo blijven ze sappiger en krijgen ze extra smaak.

Abricoteren is een term die verwijst naar het insmeren van een gebak of taartje met abrikozengelei.

Aanlengen is de term voor het verdunnen van een vloeistof door er water aan toe te voegen. Je voegt bijvoorbeeld water, bouillon of sap toe aan een saus, soep of dressing.

De B van…

Bij barderen wordt een stuk vlees gewikkeld in plakjes spek om te voorkomen dat het vlees zou uitdrogen tijdens het bakken of braden.

Binden betekent dat je een saus, soep of kookvocht dikker maakt. Dat kan bijvoorbeeld met bloem, maïzena, room of een roux.

Blancheren betekent dat je groenten of fruit kort kookt en daarna snel afkoelt in koud water. Zo blijven kleur, smaak en beet beter behouden. 

Brunoise is een snijtechniek waarbij je groenten of fruit in heel kleine blokjes snijdt. Denk aan wortel, komkommer, appel of paprika in fijne blokjes.

Blind bakken betekent dat je een taartbodem vooraf bakt zonder vulling. Je gebruikt bijvoorbeeld bakpapier met bakparels of droge bonen, zodat de bodem mooi plat blijft.

De C van…

Chinoise is een snijtechniek waarbij je groenten in kleine ruitjes snijdt. De techniek wordt minder vaak gebruikt, maar kan zorgen voor een fijne, decoratieve afwerking.

Consommé is een heldere bouillon. Je kan hem puur serveren of gebruiken als basis voor soep, saus of andere bereidingen.

Canneleren betekent dat je fijne groeven maakt in groenten of fruit. Dat doe je vooral als decoratie, bijvoorbeeld bij komkommer, wortel of citrusvruchten.

Concasseren betekent dat je tomaten ontvelt, de pitjes verwijdert en het vruchtvlees in grove blokjes snijdt. Die blokjes gebruik je bijvoorbeeld in sauzen, salades of bruschetta.

De D van…

Déglaceren betekent dat je aanbaksels in een pan losmaakt met vocht. Dat kan met water, bouillon, wijn of bier. Zo maak je snel een smaakvolle basis voor saus.

Dichtschroeien betekent dat je vlees, vis of gevogelte kort bakt op hoog vuur. Zo krijgt het een bruin korstje en extra smaak.

De E van …

Emonderen betekent dat je de pel of schil van groenten of fruit makkelijker verwijdert. Je dompelt ze kort onder in kokend water en koelt ze daarna snel af.

De F van …

Fileren staat voor het verwijderen van graten uit vis en botten uit vlees of gevogelte.

Fruiten betekent dat je gesneden groenten zachtjes bakt in olie of boter. Je doet dit op een matig vuur, zodat ze smaak afgeven zonder te verbranden. 

Flamberen betekent dat je een gerecht met alcohol overgiet en kort laat branden. Deze techniek wordt vooral gebruikt voor extra smaak en een feestelijke afwerking.


 

De G van …

Ganache is een mengsel van chocolade en room. Je gebruikt het als vulling, glazuur of afwerking voor gebak, taartjes en desserts met fruit.

Garneren betekent dat je een gerecht afwerkt of versiert. Dat kan met kruiden, zeste, stukjes fruit, geroosterde noten of fijngesneden groenten.

Glaceren betekent dat je een gerecht of ingrediënt afwerkt met een dun, glanzend laagje. Dat kan zoet zijn, zoals glazuur op gebak, of hartig, zoals geglaceerde wortelen.

De H van …

Hors-d'oeuvre is een klein gerechtje dat je voor de maaltijd serveert. Het lijkt op een hapje of voorgerecht.

De I van …

Inmaken, ook wel wecken genoemd, is een manier om groenten of fruit langer te bewaren. Je verhit ze in een bokaal, vaak met suiker, azijn of pekel.

Inkoken betekent dat je een vloeistof laat verdampen door ze zonder deksel te verwarmen. Zo wordt soep, saus of bouillon dikker en voller van smaak.

De J van …

Julienne is een snijtechniek waarbij je groenten of fruit in fijne reepjes snijdt. Wortel, courgette, prei en appel worden vaak in julienne gesneden.

De K van …

Konfijten betekent dat je ingrediënten traag gaart in vet, olie of suiker. Dat kan bijvoorbeeld met tomaten, knoflook, ui, fruit, vlees of vis. Door die trage garing blijven ingrediënten vaak ook langer houdbaar.

Karamelliseren betekent dat suiker smelt en bruin kleurt door verhitting. Dat gebeurt ook bij groenten of fruit met natuurlijke suikers, zoals ui, wortel, witloof, appel of peer.

De L van …

Lier betekent dat je een saus, soep of crème bindt, zodat die dikker en zachter wordt. Dat kan bijvoorbeeld met eidooier, room, boter of een ander bindmiddel.

De M van …

Marinade is een mengsel dat smaak geeft aan groenten, vlees, vis of gevogelte. Vaak bevat een marinade olie, kruiden, zuur en specerijen.

Marineren betekent dat je ingrediënten laat rusten in een marinade. Zo nemen groenten, vlees, vis of gevogelte meer smaak op voor je ze bakt, grilt of gaart.

Mise-en-place betekent dat je alles klaarzet voor je begint te koken. Je wast, snijdt en weegt de ingrediënten vooraf af, zodat je vlotter kan werken.

Macédoine is een snijtechniek waarbij je groenten of fruit in kleine, gelijke blokjes snijdt. Denk aan wortel, knolselder, appel of peer in fijne blokjes.

De N van …

Napperen betekent dat je een gerecht bedekt met een dun laagje saus. Dat kan bij groenten, vis, vlees of een dessert met fruit.

De O van …

Opbinden betekent dat je vlees, gevogelte of soms gevulde groenten samenbindt met keukentouw. Zo behouden ze beter hun vorm tijdens het garen. 

De P van ...

Paneren betekent dat je een ingrediënt bedekt met een laagje bloem, ei en paneermeel. Zo krijgt het tijdens het bakken of frituren een krokant korstje.

Papillot is een bereidingswijze waarbij je ingrediënten verpakt in bakpapier of aluminiumfolie. Groenten, vis of kip garen zo in hun eigen vocht, in de oven of op de barbecue.

Een passe-vite of roerzeef is een keukentool die gebruikt wordt voor het malen of pureren van voedsel.

Pasteuriseren betekent dat je voeding kort verhit om ze langer houdbaar te maken. Deze techniek wordt vaak gebruikt bij melk, sap, sauzen en bereidingen in bokalen.

Pocheren betekent dat je ingrediënten zachtjes gaart in vocht dat net niet kookt. Dat kan met fruit, eieren, vis of gevogelte.

Poffen betekent dat je ingrediënten gaart zonder water of olie. Denk aan gepofte aardappel, paprika, aubergine of kastanje uit de oven of van de barbecue.

De Q van …

Quenelles zijn langwerpige balletjes of ovale vormpjes. Je maakt ze met twee lepels, bijvoorbeeld van puree, mousse, ijs, vis of gevogelte.

Quadriller betekent dat je een ruitjespatroon bakt of grilt op vlees, vis of groenten. Dat doe je door het ingrediënt op de grill of in de grillpan een kwartslag te draaien.

De R van …

Roken is een manier om ingrediënten extra smaak te geven en langer te bewaren. Dat kan met vlees of vis, maar ook met groenten zoals paprika, tomaat of knoflook.

De S van …

Sauteren betekent dat je ingrediënten kort bakt op hoge temperatuur in weinig vetstof. Groenten blijven zo vaak knapperig en smaakvol.

Slinken betekent dat bladgroenten kleiner worden wanneer je ze verwarmt. Spinazie, warmoes en paksoi slinken bijvoorbeeld snel in een warme pan.

Stomen is het garen van je ingrediënten met damp van kokend water. Groenten, aardappelen, vis of dumplings blijven zo zacht en smaakvol. 

Schiften betekent dat een saus of bereiding uit elkaar valt. De ingrediënten mengen dan niet meer mooi, bijvoorbeeld wanneer vet en vocht zich scheiden.

Schrikken betekent dat je gekookte ingrediënten snel afkoelt in koud of ijswater. Zo stopt het kookproces. Je doet dit bijvoorbeeld bij eieren of geblancheerde groenten.
 

De T van …

Tourneren is een snijtechniek waarbij je groenten in gelijke, ovale stukken snijdt. Dat gebeurt vaak bij aardappelen, wortelen of rapen.

Tomateren betekent dat je tomaten of tomatenpuree toevoegt aan een gerecht. Zo geef je sauzen, soepen of stoofpotjes extra smaak en kleur.

De U van …

Uitlekken betekent dat je overtollig vocht laat weglopen. Dat doe je bijvoorbeeld met gewassen sla, gekookte pasta, mozzarella of groenten uit blik. 

De V van …

Vanneren betekent dat je een saus of crème blijft roeren tijdens het afkoelen. Zo koelt ze gelijkmatig af en voorkom je dat er een vel ontstaat.

De W van … 

Wellen betekent dat je gedroogde ingrediënten laat weken in warm of koud water. Zo worden ze zachter. Denk aan gedroogde abrikozen, pruimen of peulvruchten.

De Z van …

Zeste is het dunne, gekleurde laagje schil van een citrusvrucht. Je gebruikt zeste om extra frisse smaak te geven aan desserts, salades, dressings of warme gerechten.